LGB-rails, een wissel en een stootblok losjes uitgelegd op grind naast een moestuinbak

Een tuinspoorbaan ontwerpen: 10 tips voor je G-spoor met LGB

Een tuinspoorbaan in G-schaal leg je niet zomaar even neer. Rails, wissels en locs zijn een flinke investering, en een baan die eenmaal in de tuin ligt, verplaats je niet graag opnieuw. Een goed ontwerp vooraf scheelt dus veel gedoe. In dit artikel delen we de tips die wij zelf gebruiken bij het ontwerpen van onze tuinspoorbaan met LGB-rails, dwars door de moestuin.

Ben je nog helemaal nieuw in de hobby? Lees dan eerst wat is G-spoor en de tuinspoor tips voor beginners.

1. Meet je tuin op en maak een plattegrond

Begin met papier en een meetlint. Meet de stukken tuin waar de baan kan komen en teken ze op schaal. Zet er alles op wat niet verplaatst kan worden: paden, schuur, bomen, moestuinbakken, de schutting en de plek waar je zit. Zo zie je meteen waar de baan wel en niet kan lopen.

  • Teken de paden op ware breedte. Je wilt niet over de rails stappen als je met de kruiwagen langs moet.
  • Let op hoogteverschillen. Een tuin die er vlak uitziet, loopt vaak toch een beetje af. Dat merk je pas als de trein langzamer gaat rijden.
  • Kijk waar de zon en de schaduw vallen. In de volle zon zet messing rails uit, en onder bomen valt veel blad op het spoor.

2. Kies een vorm die bij je tuin past

Er zijn een paar basisvormen. Welke het beste past, hangt af van de ruimte en van hoe je wilt rijden.

  • Rondje of ovaal: de trein rijdt eindeloos rond. Makkelijk en leuk om naar te kijken, vooral met kinderen.
  • Van punt naar punt: de trein rijdt van station A naar station B en weer terug. Past goed langs een smalle strook, zoals langs een schutting of tussen de bakken.
  • Hondenbot: een lange dubbele lijn met aan elk eind een keerlus. Rijdt als een rondje, maar past in een langwerpige tuin.

Een keerlus geeft bij analoog en digitaal rijden kortsluiting als je er geen speciale schakeling voor gebruikt. Rijd je op accu, dan speelt dat niet. Meer daarover in tuinspoor op accu, analoog of digitaal.

3. Neem de bochten zo ruim als het kan

Bochten bepalen voor een groot deel hoeveel ruimte je baan nodig heeft. LGB heeft verschillende bochtmaten, van de krappe R1 tot de veel ruimere R3 en R5. Krappe bochten passen in een kleine tuin, maar grote locs en lange wagons kunnen er vaak niet doorheen. In ruime bochten rijdt elke trein mooier en slijten wielen en rails minder.

  • Kies de ruimste bocht die in je tuin past, zeker op de plekken waar je later grotere treinen wilt laten rijden.
  • Zet bij voorkeur een recht stuk tussen twee bochten die de andere kant op gaan. Dan schokt de trein minder.
  • Kijk bij een loc of wagon altijd naar de kleinste bocht waar hij doorheen kan.

4. Houd hellingen flauw

Een tuintrein kan minder steil omhoog dan je denkt. Hoe steiler de helling, hoe korter de trein die je nog naar boven krijgt. Houd hellingen daarom zo flauw mogelijk, liefst maximaal 2 tot 3 procent. Dat is 2 tot 3 centimeter stijging per meter baan. Leg hellingen bij voorkeur op rechte stukken en niet in een krappe bocht, want daar heeft de loc het al zwaar genoeg.

Wil je hoogte maken? Gebruik dan de hoogte die de tuin al heeft, of breng de baan op een verhoogde rand of muurtje, zoals wij doen met een keerwandje van leisteen.

5. Plaats wissels slim

Met wissels maak je je baan pas echt interessant: een zijspoor, een station met twee sporen of een aftakking naar de schuur. Een paar tips:

  • Zorg dat je erbij kunt. Handwissels zet je met de hand om, dus leg ze binnen handbereik van een pad.
  • Niet op het laagste punt. Daar blijft water en vuil liggen, en een wissel heeft daar het meeste last van.
  • Liever niet direct in of na een bocht. Een recht stuk voor de wissel zorgt dat de trein rustiger door de wissel rijdt.
  • Denk aan later. Leg nu al een wissel op de plek waar je later wilt uitbreiden. Dan hoef je de baan niet open te breken.

6. Houd de hele baan bereikbaar

Een trein ontspoort weleens, er valt blad op het spoor of een wissel moet om. Zorg daarom dat je overal bij kunt zonder door de bedden te stappen. Een vuistregel is dat de rails niet verder dan een armlengte van een pad of rand af liggen. In een moestuin kun je de baan mooi langs de randen van de bakken laten lopen.

Moet de baan een pad oversteken? Lees dan brug of tunnel: zo steekt je tuinspoorbaan een pad over.

7. Denk na over de ondergrond

Rails die los op de grond liggen, zakken weg, gaan scheef liggen en groeien dicht. Een stevige, goed afwaterende ondergrond is daarom belangrijk. Veel tuinspoorders leggen de rails in een bed van fijn grind of split. Op een verhoogde baan kun je de rails op een plank of een gemetseld randje leggen. Zorg in elk geval dat regenwater weg kan, want water dat blijft staan, spoelt de ondergrond weg en maakt rails en wissels vuil.

8. Leg de baan eerst los uit

Een tekening op papier of in de planner is een goed begin, maar in de tuin ziet het er altijd net anders uit. Leg daarom de rails eerst los neer, zonder ze vast te zetten. Laat er een trein overheen rijden en kijk of alles klopt: passen de bochten, kun je overal bij en loopt de baan mooi langs de bedden? Pas daarna leg je de ondergrond aan.

9. Begin klein en bouw uit

Een tuinspoorbaan is nooit echt af. Begin met een eenvoudige baan waar je meteen op kunt rijden, bijvoorbeeld een rondje of een stuk van punt naar punt. Ontwerp wel zo dat je later makkelijk kunt uitbreiden. Zo kun je al rijden en leer je onderweg wat je in je tuin wel en niet werkt.

10. Laat planten en spoor samengaan

Juist in een moestuin kan een tuinspoorbaan prachtig zijn, als de planten en het spoor elkaar niet in de weg zitten. Kies langs de baan lage, compacte planten en houd een strook vrij naast de rails. Tips vind je in welke planten passen langs een tuinspoorbaan.

Ons tuinspoorproject

Wij leggen een G-spoorbaan aan dwars door onze eigen moestuin. Op de pagina Ons tuinspoorproject vind je de plattegrond, de route en alle artikelen die we erover schrijven.

Veelgestelde vragen

Hoeveel ruimte heb je nodig voor een tuinspoorbaan?

Dat hangt vooral af van de bochten. Met de krapste LGB-bochten past een klein rondje al in een tuin van een paar meter breed. Wil je grote locs laten rijden, dan heb je ruimere bochten en dus meer ruimte nodig.

Hoe steil mag een helling bij G-spoor zijn?

Houd hellingen zo flauw mogelijk, liefst maximaal 2 tot 3 procent. Dat is 2 tot 3 centimeter stijging per meter baan. Hoe steiler, hoe korter de trein die je nog naar boven krijgt.

Waar plaats je wissels in een tuinspoorbaan?

Leg wissels binnen handbereik van een pad, niet op het laagste punt van de baan en liever op een recht stuk. Leg op plekken waar je later wilt uitbreiden alvast een wissel.

Kan ik mijn tuinspoorbaan eerst digitaal ontwerpen?

Ja. Met onze gratis Spoorplanner klik je LGB-rails, bogen en wissels aan elkaar, zie je de stuklijst en download je een bouwtekening als PDF.

Welke vorm is het beste voor een eerste tuinspoorbaan?

Voor een eerste baan is een rondje of ovaal het makkelijkst: de trein rijdt dan eindeloos rond. In een smalle tuin werkt een baan van punt naar punt of een hondenbot goed.

Wil je zien hoe wij ons eigen ontwerp aanpakken? Lees dan onze droom: een G-spoorbaan in de moestuin ontwerpen.